Ze pakte me uit de kast. Nog voordat ze me zag, rook ze me. L’Air du temps.
Voorzichtig streek ze met haar hand over mijn stof. Delftsblauw. Tenminste, zo noemen mensen mijn motief meestal. Alsof ik uit porselein ben gemaakt in plaats van katoen. Ze snoof mijn geur op. Ik ruik al jaren niet meer naar katoen. Ik ruik naar iemand die er niet meer is.
Ik ben oud. Oud genoeg om niet meer precies te weten van wie ik eigenlijk ben geweest. Van haar moeder? Van haar tante? Waarschijnlijk van allebei. Kleding heeft daar een handje van. Wij hechten ons slechts tijdelijk aan degenen die ons aantrekken en horen nooit lang bij één mens. Wij worden gedragen, doorgegeven, opgevouwen, vergeten en soms weer teruggevonden.
Ik herinner me handen. Haar handen natuurlijk het beste, want zij was tot nu toe de laatste die me droeg. Jonge handen. Oude handen. Vermoeide handen. Handen die een rits dichttrekken. Op een dag bleef mijn rits halverwege steken. Dat gebeurt oudere jurken wel vaker, al ligt dat zelden aan de jurk.
Ik weet niet alles meer precies. Een lach. Een traan. Geuren blijven het langst. Gezichten vervagen sneller dan stof.
Zij trok me aan. (…)
Lees verder op SUBSTACK
Your support helps me to keep writing / photographing – Thank you!

